door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, M.C. Doolaard, dr. H.J. Evers, mw. J.R. van Ooijen en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. M. Steenbergen, plaatsvervangend secretaris.
H. Kriek / Het Orgel
Uitspraak: ongegrond
In Het Orgel, tijdschrift van de Koninklijke Vereniging van Organisten en Kerkmusici, is het artikel
“Sexbierum, Sixtuskerk” verschenen. Daarin is een beschrijving gegeven van de geschiedenis van en de (restauratie)werkzaamheden aan het orgel uit de Sixtuskerk te Sexbierum. In dat verband is klager genoemd. Volgens klager is sprake van onjuiste berichtgeving doordat ten onrechte niet de reden van beëindiging van de samenwerking tussen hem en het stichtingsbestuur, dat de kerk beheerde, is vermeld en dat deze omissie niet is hersteld.
Niet ter discussie staat dat de in de publicatie beschreven samenwerking tussen klager en het stichtingsbestuur is beëindigd. Dit is ook in het artikel vermeld. Er is derhalve geen sprake van een feitelijke onjuistheid. Dat de reden van de beëindiging onvermeld is gelaten, is in dit geval geen zodanige omissie dat verweerder daarmee journalistiek onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld. Hoewel het verweerder had gesierd als hij in zijn rectificatie op dit punt de duidelijkheid had willen verschaffen waarom klager had verzocht, was hij daartoe niet verplicht. Nu overigens niet is gebleken dat de gewraakte berichtgeving relevante feitelijke onjuistheden bevat of verweerder anderszins journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld, is de klacht ongegrond. (zie punten 1.1. en 1.5. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
· Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
· Rectificatie/weerwoord: rectificatie
Publicatie op
www.rvdj.nl/2012/15
Y. Albayrak-Temur / M. Gelauff, M. Bink en B. de Vries (NOS)
Uitspraak: deels gegrond
De klacht betreft een uitzending van het NOS Journaal, waarin is bericht over klaagster als bestuurder van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (verder: COA).
Klaagster heeft allereerst gesteld dat de uitzending diverse ernstige beschuldigingen aan haar adres bevat, gebaseerd op anonieme bronnen, terwijl voor die beschuldigingen onvoldoende grondslag bestaat. Volgens de Raad hebben verweerders voldoende inzicht verschaft in de wijze waarop de uitzending tot stand is gekomen en de manier waarop zij gebruik hebben gemaakt van de door anonieme bronnen verkregen informatie
. Verweerders hebben gemotiveerd aangevoerd dat zij ten aanzien van de betrouwbaarheid van de bronnen extra zorgvuldigheid hebben betracht, mede gelet op het feit dat die bronnen uit (ex-) medewerkers bestonden. Hoewel de Raad de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie niet heeft kunnen verifiëren, hebben verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat zij daarnaar voldoende deugdelijk onderzoek hebben verricht. Voorts is de Raad van oordeel dat verweerders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat op basis van de voorhanden zijnde informatie en documentatie een deugdelijke grondslag bestond voor hetgeen zij in de uitzending aan de orde hebben gesteld. De klacht is op dit punt ongegrond. (zie punten 2.2.1., 2.2.2., 2.2.3. en 2.2.5. van de Leidraad van de Raad)
Ten aanzien van de toepassing van wederhoor overweegt de Raad dat verweerders voorafgaand aan de uitzending meerdere malen per e-mail aan klaagster concrete vragen hebben gesteld, waarbij zij de strekking van de gedane beschuldigingen hebben kenbaar gemaakt. Voorts is klaagster de gelegenheid geboden om voor de camera haar reactie te geven. Dat zij van die mogelijkheid geen gebruik heeft willen maken, kan verweerders niet worden aangerekend. De Raad is dan ook van oordeel dat klaagster voldoende in de gelegenheid is gesteld te reageren. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad en vgl. onder meer RvdJ
[2011] )
Echter, aangezien door het COA – mede namens klaagster – schriftelijk is gereageerd op de vragen van verweerders, hadden verweerders die reactie ook op een adequate manier behoren te verwerken in de uitzending. Gelet op de ernst van de beschuldigingen hebben verweerders dit onvoldoende gedaan door te volstaan met de vermelding dat ‘klaagster er vooral moeite mee heeft dat wij niet kunnen zeggen wie onze bronnen zijn en dat we ook onze stukken niet in inzage kunnen geven’ en dat zij in een schriftelijke verklaring laat weten ‘dat zij dat beeld van die angstcultuur hier bij het COA totaal niet herkent en dat dit soort dingen nou eenmaal gebeuren bij een organisatie die zo in beweging is als het COA’. Door deze minimale weergave van de reactie van klaagster is de berichtgeving niet in balans. Dat verweerders hebben verwezen naar hun website voor de uitgebreide reactie van het COA en achtergrondinformatie laat dit onverlet. De klacht is op dit punt dan ook gegrond.
Volgens de Raad hebben verweerders voldoende onderscheid gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Daar waar uitlatingen citaten betreffen van de door verweerders gehanteerde bronnen, is dit voldoende duidelijk als zodanig weergegeven. In zoverre is de klacht ongegrond. (zie punt 1.4. van de Leidraad).
Verder overweegt de Raad dat de inhoud en strekking van de uitzending als geheel genomen ten aanzien van klaagster uitermate kritisch zijn. De kijker zal zich niet tot nauwelijks aan de indruk kunnen onttrekken dat sprake is van ernstig mismanagement van klaagster en dat dit falende beleid de belastingbetaler geld kost. Dit bij de kijkers ontstane beeld over klaagster is het onvermijdelijke gevolg van de feiten die in de uitzending naar voren zijn gebracht. De redenering dat verweerders hiermee opzettelijk de berichtgeving in een voor klaagster negatieve richting hebben geleid waardoor de waarheid te kort werd gedaan, gaat niet op. Dat door de summiere weergave in de uitzending van de door het COA gegeven reacties sprake is van enige onevenwichtigheid in de berichtgeving, betekent niet dat ook sprake is van tendentieuze berichtgeving. De klacht is dan ook gegrond voor zover het betrekking heeft op eenzijdige berichtgeving, maar ongegrond voor zover is geklaagd over tendentieuze berichtgeving. (zie punt 1.5. van de Leidraad).
Ten aanzien van de op de website van verweerders verschenen reacties overweegt de Raad dat verweerders voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij direct na ontvangst van de onderhavige klacht diverse reacties van hun website hebben verwijderd, die een ernstige beschuldiging of een diffamerende uitlating jegens klaagster bevatten. Daarmee hebben zij adequaat en conform de uitgangspunten als vervat in de Leidraad van de Raad gehandeld. Verweerders hebben ter zitting nog kenbaar gemaakt dat zij bij het modereren bepaalde reacties niet als een beschuldigende dan wel diffamerende uitlating hebben aangemerkt. Daargelaten dat het verweerders uiteraard zou sieren als zij hun eigen spelregels ter zake zorgvuldig naleven, is deze omissie niet in strijd met de Leidraad. Dit klachtonderdeel is ongegrond. (zie punten 5.4. en 5.5. van de Leidraad)
Ten slotte stelt de Raad vast dat klaagster in haar positie als bestuurder van het COA een publieke en openbare functie bekleedt. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen het (kort) in beeld brengen van het kenteken van haar dienstauto. Naar het oordeel van de Raad is dat kenteken niet tot klaagster herleidbaar. Bovendien betreft het een kenteken van een auto, die in beginsel niet is bestemd voor persoonlijk gebruik. Aldus is geen sprake is van een onevenredige aantasting van het privéleven van klaagster. Op dit punt is de klacht evenzeer ongegrond. (zie punten 2.4.1. en 2.4.2. van de Leidraad)
De beslissing van de Raad luidt derhalve dat de klacht gegrond is voor zover deze betrekking heeft op de wijze waarop het wederhoor is verwerkt, waardoor eenzijdig over klaagster is bericht. Voor het overige is de klacht ongegrond.
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
· Feitenweergave: tendentieuze berichtgeving
· Privacy: bekende persoonlijkheden, vermelding persoonlijke gegevens
· Aard van de publicatie: ingezonden brieven/reacties op websites
Publicatie op
www.rvdj.nl/2012/16
Dela, Monuta en Yarden Uitvaartzorg / RamBam (VARA)
Uitspraak: onbevoegd
Klagers maken bezwaar tegen een uitzending van het televisieprogramma RamBam, waar De Raad stelt vast dat de klacht betrekking heeft op gedragingen die zijn vooraf gegaan aan de uitzending van het programma en niet op de uitzending zelf. Ook gedragingen die voorafgaand aan een uitzending hebben plaatsgevonden, kunnen als journalistieke gedragingen worden beoordeeld.
Echter, het naar het oordeel van de Raad is duidelijk dat de programmamakers niet hebben beoogd aan het gewraakte programma enige nieuwswaarde toe te voegen. De uitzending bestaat voornamelijk uit elementen van niet-journalistieke aard, zoals het weergeven van de mogelijkheid tot het uitvoeren van een ‘do-it-yourself begrafenis’ op een wijze die door de gemiddelde kijker waarschijnlijk als komisch zal worden ervaren. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de uitzending dat deze in het geheel als van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt. Het journalistieke normenstelsel is voor de beoordeling van dergelijke uitzendingen, daarin begrepen de aan de uitzending voorafgaande gedragingen, niet bedoeld. De Raad acht zich daarom onbevoegd over de klacht te oordelen.
Ten overvloede merkt de Raad op dat in een geval als het onderhavige – waar de klacht is gericht tegen gedragingen voorafgaand aan een uitzending en het programma door een buitenproducent wordt gemaakt – de buitenproducent op de gedragingen moet worden aangesproken.
Trefwoorden:
· Procedure: bevoegdheid
Publicatie op
www.rvdj.nl/2012/17