door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, H. Blanken, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.R. van Ooijen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
X / AD Haagsche Courant
Uitspraak: ongegrond
Klager maakt bezwaar tegen het artikel
“Man (80) vrijgesproken van poging doodslag in Benthuizen”. Hij meent dat zijn privacy onnodig is aangetast.
De Raad stelt voorop dat met berichtgeving over uitspraken in strafrechtelijke procedures een maatschappelijk belang wordt gediend.
De wijze waarop klager in het artikel is aangeduid, is in het kader van berichtgeving over strafzaken journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar. In het algemeen kan daarmee worden voorkomen dat een betrokkene eenvoudig kan worden geïdentificeerd. Uit hetgeen klager heeft aangevoerd maakt de Raad op dat klager met name bezwaar heeft tegen de publicatie, omdat hierdoor in zijn naaste omgeving bekend is geworden dat de feiten over zijn strafzaak niet stroken met hetgeen hij daarover heeft meegedeeld. Voor zover klager heeft betoogd dat aldus een ongerechtvaardigde inbreuk is gemaakt op zijn privacy, kan dit verweerder echter niet worden aangerekend.
De Raad acht het verder niet aannemelijk dat klager voor het grote lezerspubliek, buiten de woonkern van klager, in het artikel identificeerbaar is. Verweerder heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat het journalistiek relevant is om in lokale edities de woonkern van een betrokkene c.q. de plaats waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden te vermelden, ten einde een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld van het nieuwsfeit te schetsen.
Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van een ongerechtvaardigde aantasting van klagers privéleven. (zie punten 1.1., 2.4.1. en 2.4.6. van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
· Privacy: verdachten/veroordeelden
Publicatie op
www.rvdj.nl/2012/8
X / S. Gybels en Dagblad De Limburger
Uitspraak: ongegrond
De klacht betreft allereerst de artikelen
“’Discussie over declaraties van raadsleden is nodig’”,
“Politieke partijen willen debat over declaratieregeling”. De Raad stelt voorop dat voor mensen met publieke c.q. min of meer openbare functies en voor bekende Nederlanders een zekere mate van blootstelling aan ongewilde publiciteit onvermijdelijk is. (zie punt 2.4.2 van de Leidraad van de Raad)
Uit hetgeen klaagster heeft aangevoerd maakt de Raad op dat haar bezwaar tegen deze berichtgeving met name erin is gelegen, dat die is gebaseerd op een tip van iemand met wie klaagster in conflict was. Verweerders hebben ter zake gesteld dat de tipgever bewijzen over de declaratie had meegestuurd. De Raad overweegt in dit verband dat het de journalist vrij staat naar aanleiding van een tip eigen onderzoek te verrichten, ook indien die tip afkomstig is van iemand waarmee de betrokkene in conflict is. Bij zijn onderzoek heeft de journalist kennelijk de burgemeester, althans diens woordvoerder, en de raadsgriffier gesproken. Vervolgens heeft hij contact gezocht met klaagster en haar reactie in de berichtgeving verwerkt. Klaagster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de artikelen relevante onjuistheden bevatten. Er is verder geen aanleiding voor het oordeel dat de berichtgeving eenzijdig en tendentieus is of geen nieuwswaarde had. In het eerste artikel is bovendien een reactie van klaagster weergegeven. Het was niet nodig ook in het tweede artikel een reactie van klaagster op te nemen, aangezien dat een vervolgbericht betreft waarin de meningen van de fractievoorzitters over de kwestie zijn opgenomen. Dat verweerders de ingezonden brief van klaagster niet hebben willen plaatsen, leidt niet tot de conclusie dat zij daarmee jegens klaagster onzorgvuldig hebben gehandeld. (zie punt 5.2. van de Leidraad)
Verder heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen het artikel
“Een terriër zonder halsband”, dat een portret van haar bevat. Gesteld noch gebleken is dat de vermelde feiten onjuist zijn. Deze geven een deel weer van de politieke loopbaan van klaagster. Het is voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk dat het artikel een schets betreft van de handelwijze van klaagster gedurende haar politieke loopbaan. Daarbij heeft de journalist zich, behalve op de hiervoor bedoelde feiten, gebaseerd op zijn eigen waarnemingen en niet op uitlatingen van derden. Uit het woordgebruik blijkt ook voldoende dat de gedane beweringen en meningen over klaagster alleen afkomstig zijn van de journalist. Hij hoefde daarbij niet neutraal te werk te gaan. Gezien het feit dat het artikel enerzijds van feitelijke aard is en anderzijds duidelijk de mening van de journalist behelst, acht de Raad het niet ontoelaatbaar dat ten aanzien van dit artikel geen wederhoor is toegepast. (zie punten 1.4. en 2.3.4. van de Leidraad en vgl. RvdJ
[2007] )
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
· Privacy: bekende persoonlijkheden
· Aard van de publicatie: portret/profiel
Publicatie op
www.rvdj.nl/2012/9
COC Amsterdam en Stichting Pride Photo Award / Spitsnieuws.nl
Uitspraak: gegrond
Bij het artikel
“Haags homostel weggepest” is een foto geplaatst van twee mannen in glitterbroeken met gedeeltelijk blote billen. De ene man heeft zijn arm om het middel van de andere man geslagen waarbij de hand rust op diens rechterbil. Onder het artikel is een naschrift van de redactie geplaatst. Klagers stellen dat bij het artikel een foto is geplaatst die inhoudelijk niets te maken heeft met het artikel en dat het naschrift onzorgvuldig is. Verweerder heeft niet op de klacht gereageerd.
Volgens de Raad hebben klagers voldoende aannemelijk gemaakt dat de foto waarschijnlijk is gemaakt tijdens een feestelijke gebeurtenis, mogelijk de Gay Pride, en door verweerder is gebruikt in een andere context. (zie punt 4.1 van de Leidraad van de Raad)
Met klagers is de Raad voorts van oordeel dat door het gebruik van de foto ten onrechte is gesuggereerd dat er een verband bestaat tussen de afgebeelde kleedstijl van sommige homoseksuele mannen en homofoob geweld. De Raad acht het niet onaannemelijk dat bij de gemiddelde lezer de indruk is gewekt dat het stel het wegpesten aan zichzelf te wijten heeft. Daarmee is een stereotiep beeld over homoseksuele mannen bevestigd, terwijl hiervoor geen grondslag bestond. Het gebruik van de foto is onder deze omstandigheden stigmatiserend en discriminatie bevorderend, en journalistiek ontoelaatbaar.
Verder kan uit het naschrift worden opgemaakt dat verweerder ervan overtuigd is dat het hiervoor bedoelde verband bestaat en bewust voor de plaatsing van deze foto heeft gekozen. Ook met dit naschrift heeft verweerder derhalve de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Trefwoorden:
· Feitenweergave: discriminerende berichtgeving
Publicatie op
www.rvdj.nl/2012/10