door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, T.R. Harkema, ir. B.L. Hooghoudt, drs. G.J.P. Kloosterhuis en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
X / de Stentor
Uitspraak: deels gegrond
Klager maakt bezwaar tegen de artikelen
“Hulshorstenaar sticht branden” en
“Hardenees vrijgesproken van brandstichting”, die gaan over een strafzaak tegen klager.
De Raad stelt voorop dat het in het kader van verslaggeving over rechtszaken toelaatbaar is dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (vgl. RvdJ
[2010] )
Met betrekking tot de eerste publicatie overweegt de Raad dat verweerder met de inhoud van het artikel als zodanig niet journalistiek ontoelaatbaar over de kwestie heeft bericht. Het artikel behelst een overwegend feitelijke weergave van de zaak, waarbij tevens voldoende aandacht is besteed aan de visie van klager. Het gebruik van de kop maakt echter dat verweerder met de publicatie journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens de Raad kan de inhoud van het artikel als gevolg van de te zwaar aangezette kop niet meer objectief worden gelezen. De feitelijk gestelde kop kan immers niet anders worden opgevat dan dat klager daadwerkelijk meerdere branden heeft gesticht. Het artikel zal vervolgens worden gelezen vanuit het perspectief van de kop, waarbij de lezer zich moeilijk aan de onjuiste indruk zal kunnen onttrekken dat klager schuldig is aan het plegen van meerdere strafbare feiten. De klacht is dan ook gegrond voor zover gericht tegen de eerste publicatie.
Voor zover de klacht is gericht tegen de tweede publicatie, is deze echter ongegrond. De inhoud van het artikel geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de journalist onzorgvuldig over de kwestie heeft bericht. De publicatie behelst een verslag van de uitspraak van de rechtbank, waarbij informatie uit het eerste artikel wordt herhaald. Dat klager in dit artikel is aangeduid als ‘Hardenees’ en niet opnieuw als ‘Hulshorstenaar’ is niet een zodanige omissie dat verweerder daarmee journalistiek ontoelaatbaar zou hebben gehandeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat klager ten tijde van de branden in Hulshorst woonde en daarna is verhuisd naar ’t Harde.
Trefwoorden:
· Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
· Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
Publicatie op
www.rvdj.nl/2011/79
B. Lankester en L. Hinkema / P. Zethoven en Noordhollands Dagblad
Uitspraak: deels gegrond
De klacht betreft het artikel
“Uitspraak kort geding week later”, waarin aandacht is besteed aan een civielrechtelijke procedure tussen klagers en woningbouwvereniging Beter Wonen.
De Raad overweegt dat in het algemeen geen bezwaar bestaat tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een openbare terechtzitting in een dergelijke procedure. Van een dermate zwaarwegend belang aan de zijde van klagers waardoor van dit uitgangspunt had moeten worden afgeweken, is niet gebleken. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat verweerders hebben gesteld dat de kwestie door betrokkenen in het openbaar wordt uitgevochten, hetgeen door klagers niet is weersproken. (zie punt 2.4.10. van de Leidraad van de Raad)
Verder overweegt de Raad dat het artikel een feitelijke beschrijving van de rechtszaak behelst. Het beginsel van wederhoor geldt niet voor berichtgeving van feitelijke aard. Niet is gebleken dat de publicatie klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden. Overigens zijn klagers later alsnog in de gelegenheid gesteld hun visie over de zaak uiteen te zetten. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad)
Anders dan klagers leest de Raad in het artikel niet dat de journalist het (ten onrechte) laat voorkomen dat hij bij de zitting aanwezig is geweest. Verder blijkt uit de publicatie voldoende duidelijk dat volgens de woningbouwvereniging klagers het bestuur ‘frauduleuze transacties’ verwijten. Het gebruik van de term ‘modder gooien’ is – bezien in de context – een toelaatbare parafrase van de mening van Beter Wonen. (vgl. RvdJ
[2010] )
De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders op deze punten journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Voor zover de klacht betrekking heeft op het vermelden van de namen van klagers, de suggestie dat de journalist op de rechtszitting aanwezig was, het gebruik van de term ‘modder gooien’, het in de mond leggen van de bewering ‘frauduleuze transacties’ en het niet toepassen van wederhoor, is de klacht ongegrond.
Dit ligt echter anders voor zover de klacht is gericht tegen de vermelding dat klagers door de Algemene Ledenvergadering zijn weggestuurd. Klagers hebben gemotiveerd weersproken dat dit juist is. Voorts blijkt uit hetgeen verweerders hebben aangevoerd en de door hen overgelegde latere publicatie
“Beter Wonen verliest kort geding” dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen of de raad van toezicht al dan niet was weggestuurd of zelf was opgestapt.
Gezien de aard van het conflict waarover is bericht, betreft dit een zodanige gevoeligheid en heeft de aanduiding ‘weggestuurde leden’ een dermate negatieve lading dat het op de weg van verweerders had gelegen om met het gebruik van die aanduiding bijzonder zorgvuldig en terughoudend te zijn. Door als feit te presenteren dat klagers ‘weggestuurde leden’ zijn, terwijl niet is gebleken dat dit juist is, hebben verweerders in dit geval journalistiek onzorgvuldig jegens klagers gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor
· Feitenweergave: onjuiste, tendentieuze berichtgeving
· Privacy: vermelding persoonlijke gegevens
· Aard van de publicatie: rechtbankverslag/verslaggeving rechtszaken
Publicatie op
www.rvdj.nl/2011/80