door mr. V.H.G. Lebesque, voorzitter, T.R. Harkema, drs. G.J.P. Kloosterhuis, M. Ülger en drs. ir. M.C.N. Mokveld, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
X / Brabants Dagblad - herziening
Uitspraak: afgewezen
Verzoeker heeft een klacht ingediend betreffende het artikel
“Rapportage over landmeting wijst uit: geen ‘landjepik’ in [plaatsnaam]”, het artikel
“Ruzie over landjepik gaat verder” en de publicatie van verzoekers ingezonden brief onder de kop
“Landjepik? Boerenbedrog!”. Bij uitspraak van 2 augustus 2011 (RvdJ
[2011] ) heeft de Raad de klacht gegrond verklaard voor zover deze betrekking had op het achterwege laten van wederhoor ten aanzien van het eerste artikel, waardoor een onjuiste voorstelling van zaken was gegeven. Verder heeft de Raad zich onthouden van een oordeel voor zover verzoeker had gesteld dat ten onrechte bij het tweede artikel gebruik was gemaakt van de eerste versie van zijn ingezonden brief. Ten slotte heeft de Raad de klacht ongegrond verklaard voor zover verzoeker had betoogd dat in het eerste artikel ten onrechte zijn naam en herleidbare adresgegevens waren vermeld en dat ten onrechte bij de publicatie van de tweede versie van zijn ingezonden brief een aantal zinnen waren geschrapt. Verzoeker heeft verzocht om herziening van die uitspraak.
De herzieningskamer overweegt dat herziening slechts in beperkte gevallen mogelijk is. Uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd blijkt dat hij zich niet kan vinden in de overwegingen en de beoordeling van de Raad.
Verzoeker heeft toegelicht dat een aantal door hem aangedragen argumenten niet of slechts verkort in de uitspraak aan de orde is gekomen. Hiermee is echter niet gebleken dat het oordeel van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Volgens de herzieningskamer blijkt de kern van de standpunten van verzoeker voldoende uit de uitspraak.
Verder heeft verzoeker aangevoerd dat de Raad zich ten onrechte heeft onthouden van een oordeel over het gebruik van de eerste versie van zijn ingezonden brief. Ook vindt verzoeker de kwalificatie van het eerste artikel als ‘vervolg’ op eerdere berichtgeving niet juist. Voorts is verzoeker het niet eens met het oordeel van de Raad over het schrappen van een aantal zinnen in zijn ingezonden brief.
Naar het oordeel van de herzieningskamer heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. (zie artikel 10a lid 1 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad). Het verzoek tot herziening is dan ook afgewezen.
Trefwoorden:
· Procedure: herziening
Publicatie op
www.rvdj.nl/2011/81