door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch, mw. F. Santing en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
X / 1. T. van der Mee en AD; 2. J. Snel en Blauw Bloed (EO)
Uitspraak: ongegrond
Klager is op Prinsjesdag 2010 (21 september) aangehouden omdat hij een glazen waxinelichthouder naar de gouden koets heeft gegooid. Diverse media hebben over dit incident en de daarop volgende strafzaak tegen klager bericht. Klager heeft bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop diverse media, waaronder verweerders, over het incident hebben bericht. De voorzitter en de secretaris van de Raad hebben bij beslissing van 14 maart 2011 op de voet van artikel 4a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad geoordeeld dat de Raad evident onbevoegd is om te oordelen over uitlatingen van politie en justitie. Voor zover de klacht betrekking heeft op de berichtgeving in diverse media hebben de voorzitter en secretaris klager in zijn klacht evident niet-ontvankelijk verklaard. Klager heeft tegen die beslissing beroep aangetekend. De Raad heeft klager in zijn beroep ontvangen en het beroep gegrond verklaard voor zover gericht tegen de evident niet-ontvankelijk verklaring betreffende de volgende publicaties:
“De koningin draagt een zware last” in het AD van 22 september 2010 en de uitzending van Blauw Bloed (EO) van 26 september 2010. De Raad heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Conform artikel 4a lid 6 van het Reglement is de klacht vervolgens deels in behandeling genomen.
Kern van de klacht is dat zowel verweerders ad 1. als verweerders ad 2. onjuiste, grievende kwalificaties hebben gebruikt ter aanduiding van klager.
De Raad overweegt dat bij het gebruik van kwalificaties ten aanzien van de psychische gesteldheid van degene waarover wordt bericht – zoals in dit geval de aanduidingen ‘verward’ en ‘gestoord’ – bijzondere zorgvuldigheid is geboden.
In dit geval is de kwalificatie ‘verward’ overgenomen uit de persberichten van de politie die over de zaak zijn uitgebracht. In die persberichten is ter zake vermeld dat klager in het eerste contact met de politie verward overkomt. Met het overnemen van deze kwalificatie hebben verweerders – gelet op het feit dat een persbericht van de politie in het algemeen als betrouwbare bron kan worden aangemerkt – niet onzorgvuldig gehandeld.
In de persberichten van de politie is verder vermeld dat klager een psychiatrisch verleden heeft. Gezien de maatschappelijke onrust die is opgetreden naar aanleiding van de daad van klager en in aanmerking genomen dat hij bij de politie verward is overgekomen, hebben verweerders in dit geval niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld door ten aanzien van klager de aanduidingen ‘gestoord’ en ‘psychische stoornis’ te hanteren. Daarbij overweegt de Raad dat verweerders met die aanduidingen niet hebben beoogd klager in medische zin te kwalificeren. In de berichtgeving is duidelijk aangesloten bij de formuleringen van politie en justitie en bij dagelijks spraakgebruik voor ‘afwijkend gedrag’.
Nu overigens niet is gebleken dat de gewraakte berichtgeving relevante feitelijke onjuistheden bevat of verweerders anderszins journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld, komt de Raad tot de slotsom dat de klacht ongegrond is. (zie punten 1.1. en 1.5 van de Leidraad van de Raad)
Trefwoorden:
· Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
· Procedure: bevoegdheid, ontvankelijkheid
Publicatie op
www.rvdj.nl/2011/70
Drs. M. Kat, K. Ferwerda, E. Donk en W. Dankbaar / J. de Boer, Leeuwarder Courant, Dagblad van het Noorden, De Gooi- en Eemlander en Haarlems Dagblad - herziening
Uitspraak: afgewezen
Verzoekers hebben geklaagd over onder meer de artikelen
“Kollumse belaagd door Vaatstra-speurders” en
“Vogelvrij”. Bij uitspraak van 23 juni 2011 heeft de Raad de klacht op een onderdeel gegrond verklaard, op zes onderdelen ongegrond verklaard en zich voor het overige onthouden van een oordeel (RvdJ
[2011] ). Klagers hebben verzocht om herziening van die uitspraak.
De herzieningskamer overweegt allereerst dat geen aanleiding bestaat om verzoekers de gelegenheid te geven hun standpunten ter zitting toe te lichten. Dat verzoekers op de zitting van de Raad van 29 april 2011 ervoor hebben gekozen om geen toelichting op hun klacht te geven – omdat hen niet werd toegestaan opnamen te maken – doet daaraan niet af, aangezien dat voor hun rekening dient te komen.
Verder overweegt de herzieningskamer dat herziening slechts in beperkte gevallen mogelijk is. Verzoekers hebben allereerst bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop hun klacht is behandeld. Hetgeen zij ter zake hebben aangevoerd, brengt echter – voor zover al juist – niet mee dat de inhoudelijke beoordeling van hun klacht berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten.
Uit hetgeen verzoekers verder hebben aangevoerd blijkt dat zij zich niet kunnen vinden in de overwegingen en de beoordeling van de Raad. Dit is echter onvoldoende om een verzoek tot herziening gegrond te verklaren. Verzoekers hebben in dit verband toegelicht dat een aantal door hen aangedragen argumenten niet of slechts verkort in de uitspraak aan de orde is gekomen. Hiermee is echter niet gebleken dat het oordeel van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. Naar het oordeel van de herzieningskamer blijkt de kern van de standpunten van verzoekers voldoende uit de uitspraak.
Naar het oordeel van de herzieningskamer hebben verzoekers met hetgeen zij in hun verzoekschrift hebben aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de Raad berust op ten onrechte als vaststaand of aannemelijk geoordeelde feiten. De herzieningskamer ziet dan ook geen aanleiding tot herziening van die beslissing.
Trefwoorden:
· Procedure: herziening
Publicatie op
www.rvdj.nl/2011/71