door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, A. Mellink MPA, mw. H.M.M. Nietsch, mw. F. Santing en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. J.M. Leurs, plaatsvervangend secretaris.
X, Y en Z / F. Pasma en Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad
Uitspraak: deels gegrond
Klagers maken bezwaren tegen de publicaties
“’Verduistering bij bejaardenclub’”,
“Aangifte bejaardenclub” en
“Schinnen hield subsidie achter tot bestuurswissel”. Volgens klagers worden zij in de berichtgeving beschuldigd van verduistering en daartoe veroordeeld terwijl dat niet is bewezen, zodat sprake is van laster en kwetsende berichtgeving. Verder hebben zij gesteld dat geen wederhoor is toegepast en dat met het vermelden van hun namen inbreuk is gemaakt op hun privacy.
Volgens de Raad hebben verweerders duidelijk gemaakt welke bronnen zij hebben geraadpleegd. Daartoe behoort ook de aangifte tegen klagers. Zij hebben daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat voor de berichtgeving een deugdelijke grondslag bestond. Daarbij overweegt de Raad dat nu tegen klagers aangifte is gedaan, dit betekent dat zij ergens van zijn beschuldigd. Bij objectieve lezing kan niet uit de berichtgeving worden afgeleid dat klagers al zijn veroordeeld. Verweerders hebben niet onnodig grievend over de kwestie bericht. Dat klagers zich door deze berichtgeving gekwetst voelen, is onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerders op dit punt journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld. De klacht is op dit punt ongegrond. (zie punten 1.1. en 2.2.5 van de Leidraad van de Raad)
Verder constateert de Raad dat in de artikelen de feitelijke situatie is beschreven en dat voorts de verschillende kanten van het verhaal zijn belicht. Of verweerders het verhaal van klagers al dan niet geloven, is niet relevant; in de berichtgeving is door verweerders ter zake geen standpunt ingenomen. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun visie over de kwestie naar voren te brengen. In de artikelen met de koppen
“Aangifte bejaardenclub” en
“Schinnen hield subsidie achter tot bestuurswissel” is de visie van klagers opgenomen. Bij het artikel met de kop
“Verduistering bij bejaardenclub” was dat gezien de feitelijke inhoud van het bericht, dat later in de krant werd vervolgd, niet nodig. Verweerders hebben op dit punt evenmin journalistiek onzorgvuldig gehandeld, zodat ook dit onderdeel van de klacht ongegrond is. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
Ten slotte overweegt de Raad dat met het vermelden van namen van personen waartegen aangifte van een strafbaar feit is gedaan, terughoudend moet worden omgegaan. De berichtgeving gaat over een conflict tussen twee besturen van een bejaardenclub. In dit geval was het in het kader van de berichtgeving niet nodig om de namen van klagers, als leden van het oud-bestuur, te vermelden. Klagers hadden anoniem kunnen worden genoemd of hoogstens met initialen kunnen worden aangeduid, zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud van de berichtgeving. Niet valt in te zien dat door het weglaten van de volledige namen van klagers een onaanvaardbare onduidelijkheid voor de lezer zou zijn ontstaan. Dat klagers wellicht ook zonder vermelding van hun namen voor de lokale gemeenschap herkenbaar zouden zijn, betekent nog niet dat hun belang bij de bescherming van hun privacy buiten die gemeenschap geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden vormt het vermelden van de volledige namen van klagers in de gewraakte berichtgeving een ongerechtvaardigde aantasting van hun privéleven. Verweerders hebben op dit punt grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dit onderdeel van de klacht is daarom gegrond. (zie punten 2.4.1. en 2.4.6. van de Leidraad)
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
· Feitenweergave: grievende, tendentieuze berichtgeving
· Privacy: verdachten/veroordeelden, vermelding persoonlijke gegevens
Publicatie op
www.rvdj.nl/2011/67
X, Y en Z / B. Thimister en Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad
Uitspraak: ongegrond
De klacht betreft het artikel
“Man van afpersing verdacht”. Klagers menen dat ten onrechte in het artikel wordt beschreven dat zij iemand bedreigd zouden hebben. Volgens klagers wordt hun strafzaak ten onrechte in de krant breed uitgemeten en worden zij in het artikel al veroordeeld. Verder stellen zij dat zij door de publicatie in hun goede naam en eer zijn aangetast.
De Raad overweegt dat klagers niet in het artikel zijn genoemd en daardoor niet voor het publiek identificeerbaar zijn. Hetgeen in de publicatie is beschreven, kan daarom niet worden gekoppeld aan klagers. Van onnodige publicatie van details, die extra leed toevoegen aan het slachtoffer of diens naaste familieleden, is geen sprake. Volgens de Raad is de privacy van klagers dan ook niet aangetast. Verweerders hebben in redelijkheid de belangen die zijn gediend met de publicatie voorrang kunnen geven boven de belangen van klagers. Dat klagers wellicht in hun omgeving op de publicatie zijn c.q. kunnen worden aangesproken, kan daaraan niet afdoen. (zie punten 2.4.1., 2.4.6., 2.4.8. en 2.4.9. van de Leidraad van de Raad)
Uit hetgeen partijen verder hebben aangevoerd, blijkt dat verweerders waarheidsgetrouw over de kwestie hebben bericht. Bij objectieve lezing kan uit het artikel niet worden afgeleid dat klagers al zijn veroordeeld. Van relevante onjuistheden is niet gebleken. (zie punt 1.1. van de Leidraad)
Daargelaten de vraag of verweerders in dit geval gehouden waren om wederhoor toe te passen, stelt de Raad verder vast dat zij de raadsman van klagers om een reactie hebben gevraagd. Dat deze geen inhoudelijk commentaar wilde geven, kan verweerders niet worden toegerekend. (zie punten 2.3.1. en 2.3.4. van de Leidraad)
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders niet journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. (zie ook punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad)
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: hoor en wederhoor, selectie van nieuws
· Feitenweergave: onjuiste berichtgeving
· Privacy: algemeen, slachtoffers/nabestaanden
Publicatie op
www.rvdj.nl/2011/68
X, Y en Z / Hart van Nederland (SBS)
Uitspraak: deels gegrond
In een uitzending van Hart van Nederland is aandacht besteed aan valse aangiften van zedenmisdrijven en de grote gevolgen hiervan voor een vermeende verdachte van een zedendelict. In de uitzending heeft de vader/ex-man van klaagsters [A] zijn verhaal gedaan.
De Raad begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat hij met de uitzending heeft beoogd duidelijk te maken wat de gevolgen zijn voor iemand die is beschuldigd van een zedendelict, terwijl de aangifte niet tot veroordeling heeft geleid, en dat hij in die context de term ‘valse aangifte’ heeft gebruikt. Verweerder heeft verder aangevoerd dat onder die term zowel opzettelijke als onopzettelijke valse aangiften worden verstaan. Aangezien echter in de uitzending geen onderscheid wordt gemaakt tussen dergelijke aangiften, kan de term ‘valse aangifte’ – met name door het gebruik van het woord ‘vals’ – volgens de Raad tot verwarring leiden en door het grote publiek eenvoudig worden uitgelegd als een moedwillig gedane onterechte beschuldiging van seksueel misbruik; een opzettelijke valse aangifte. De aangiften van klaagsters X en Y zijn in de uitzending als ‘valse aangiften’ gepresenteerd; de Raad acht het aannemelijk dat bij het grote publiek de indruk is ontstaan dat zij moedwillig hun vader onterecht hebben beschuldigd. Dat in de uitzending is vermeld dat de zaak is geseponeerd, maakt onvoldoende duidelijk dat ten aanzien van klaagsters een onopzettelijke valse aangifte is bedoeld. Naar het oordeel van de Raad is het gebruik van de term ‘valse aangifte’ zonder nadere uitleg daarom in dit geval journalistiek onzorgvuldig. (zie punt 1.1. van de Leidraad van de Raad)
De Raad overweegt voorts dat het rapport
“Lastige Verhalen” de aanleiding voor verweerder was om een item te maken over ‘valse aangiften’ en de grote gevolgen hiervan voor een vermeende verdachte van een zedendelict. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de uitzending voldoende nieuwswaarde had en een maatschappelijk belang diende. Het stond verweerder vrij in de context van de uitzending een persoon aan het woord te laten tegen wie aangifte over een zedenmisdrijf is gedaan en daar niet voor is veroordeeld. Verweerder heeft zich bij de keuze van deze persoon laten leiden door een adviseur die op dit terrein deskundig kon worden geacht. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad)
Daarbij komt dat het item is gemaakt vanuit het perspectief van [A], waarbij deze onder meer vertelt over zijn vermoedens ten aanzien van de beweegredenen voor de beschuldigingen. [A] is zodanig onherkenbaar in beeld gebracht, dat hij niet voor het grote publiek herkenbaar is. Klaagsters zijn niet met naam genoemd en verder ook niet identificeerbaar. Van onnodige publicatie van details, die extra leed toevoegen aan de slachtoffers of hun naaste familieleden, is geen sprake. (zie punten 2.4.8. en 2.4.9. van de Leidraad)
Hoewel klaagsters de uitzending als grievend hebben ervaren, kan niet worden geconcludeerd dat zij – objectief bezien – door de uitzending worden gediskwalificeerd. Reeds daarom behoefde verweerder dan ook geen wederhoor bij klaagsters toe te passen. In de gegeven omstandigheden mocht verweerder afgaan op het feit dat [A] door diens advocaat naar voren was geschoven als een representatief voorbeeld voor de uitzending en kon verweerder volstaan met een toetsing van de betrouwbaarheid van het verhaal van [A] op basis van de hem beschikbare informatie.
Op dit punt heeft verweerder niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld. (zie punten 2.2.3., 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad)
Trefwoorden:
· Journalistieke werkwijze: bronnen, hoor en wederhoor
· Feitenweergave: onjuiste, grievende berichtgeving
· Privacy: algemeen, slachtoffers/nabestaanden
Publicatie op
www.rvdj.nl/2011/69